1) Interpersoonlijk competent
Er zijn 7 SBL-competenties voor een leraar primair onderwijs. Dit is de eerste competentie voor een leerkracht primair onderwijs (PO).

De leraar primair onderwijs moet ervoor zorgen dat er in zijn groep een prettig leef- en werkklimaat heerst. Om die verantwoordelijkheid waar te kunnen maken moet de leraar primair onderwijs interpersoonlijk competent zijn. Een leraar die interpersoonlijk competent is, geeft op een goede manier leiding. Zo’n leraar schept een vriendelijke en coöperatieve sfeer en brengt een open communicatie tot stand. Zo’n leraar bevordert de zelfstandigheid van de kinderen en zoekt in zijn interactie een goede balans tussen:

  • Leiden en begeleiden;
  • Sturen en volgen;
  • Confronteren en verzoenen;
  • Corrigeren en stimuleren.

Bekwaamheidseis bij deze de competentie

De leraar primair onderwijs onderschrijft zijn interpersoonlijke verantwoordelijkheid. Hij is zich bewust van zijn eigen houding en gedrag èn van de invloed daarvan op de kinderen. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid op het gebied van groepsprocessen en communicatie om een goede samenwerking met en van de kinderen tot stand te brengen.

Om aan deze bekwaamheidseis te voldoen moet de leraar primair onderwijs...

...het volgende doen:

  • De leraar maakt contact met de kinderen en zorgt ervoor dat zij contact kunnen maken met hem en zich op hun gemak voelen;
  • De leraar geeft de kinderen leiding maar laat hun ook verantwoordelijkheid en geeft hun een eigen inbreng;
  • De leraar schept een goed klimaat voor samenwerking met de kinderen en tussen de kinderen onderling.

...deze kennis hebben:

  • De leraar is goed op de hoogte van communicatie- en omgangsvormen in de leefwereld van de kinderen;
  • De leraar is op praktisch niveau op de hoogte van communicatietheorieën, groepsdynamica en interculturele communicatie en hij vooral ook de implicaties daarvan voor zijn eigen laten en doen.

Indicatoren van deze competentie

Hieronder geven we een paar voorbeelden van indicatoren van de interpersoonlijke competentie.

  • De leraar ziet wat er gebeurt in zijn groep. Hij luistert naar de kinderen en hij reageert op hen. Hij spreekt hen aan op ongewenst gedrag en hij stimuleert gewenst gedrag. Hij laat de kinderen in hun waarde.
  • Hij houdt in zijn taalgebruik, omgangsvormen en manier van communiceren rekening met wat gebruikelijk is in de leefwereld van zijn leerlingen.
  • Hij kan beschrijven en verklaren wat de communicatiepatronen zijn in zijn (cultureel heterogene) groep en hoe de sociale verhoudingen liggen. Hij weet hoe hij een en ander zonodig kan verbeteren.
  • Hij kan verantwoorden hoe hij met zijn (cultureel heterogene) groep omgaat en ook met individuele kinderen. Daarbij maakt hij gebruik van relevante theoretische en methodische inzichten.

Alle zeven competenties voor een leraar PO

1. Interpersoonlijk competent

Een leraar moet ervoor zorgen dat er in zijn groep een prettig leef- en werkklimaat heerst. Om die verantwoordelijkheid waar te kunnen maken moet de leraar interpersoonlijk competent zijn.

2. Pedagogisch competent

Een leraar moet de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van de kinderen bevorderen. Hij moet hen helpen een zelfstandig en verantwoordelijk persoon te worden. Daarvoor moet de leraar pedagogisch competent zijn.

3. Vakinhoudelijk en didactisch competent

Een leraar moet de kinderen helpen zich de culturele bagage eigen te maken die is samengevat in de kerndoelen voor het onderwijs en die elke deelnemer aan de samenleving nodig heeft om volwaardig te kunnen functioneren. Daarvoor moet de leraar vakinhoudelijk en didactisch competent zijn.

4. Organisatorisch competent

Een leraar draagt zorg voor alle aspecten van klassenmanagement ten behoeve van zijn groep. Om die verantwoordelijkheid verantwoordelijkheid waar te kunnen maken moet de leraar organisatorisch competent zijn.

5. Competent in het samenwerken met collega's

Een leraar moet ervoor zorgen dat zijn werk en dat van zijn collega’s op school goed op elkaar zijn afgestemd. Hij moet ook bijdragen aan het goed functioneren van de schoolorganisatie. Daarvoor moet de leraar competent zijn in het samenwerken in een team.

6. Competent in samenwerken met de omgeving

Een leraar moet contacten onderhouden met de ouders of verzorgers van de kinderen. Hij moet er ook voor zorgen dat zijn professionele handelen en dat van anderen buiten de school goed op elkaar zijn afgestemd. Daarvoor moet de leraar competent zijn in het samenwerken met de omgeving van de school.

7. Competent in reflectie en ontwikkeling

De leraar moet zich voortdurend verder ontwikkelen en professionaliseren. Om die verantwoordelijkheid waar te kunnen maken moet de leraar competent zijn in reflectie en ontwikkeling.