Het eindexamen zit erop

Roland Philippo 21 mei 2019 201

"En, hoe ging het vandaag? Goed, hoor…." Met voor de muzikanten onder ons een reine kwart omlaag van het begin naar het eind van deze korte, krachtige, veelzeggende zin. Een beetje van: ‘’Pap, wat zeur je nou, maak je geen zorgen’’. Mijn zoon deed vandaag zijn examen Latijnse taal en cultuur. Het zit erop voor hem. De andere examens deed hij ook "goed hoor".

Geen zorgen. Of toch wel… Al vanaf de vierde klas pleegt mijn zoon zich bescheiden in te spannen voor alles wat met school te maken heeft en voor alles wat riekt naar leren. Hij nam zich vanaf dat moment ook in toenemende mate voor hier vooral niet te veel over te communiceren. Daar kunnen verschillende verklaringen voor bestaan, heb ik begrepen. De eerste verklaring is die van de docenten. Zij melden dat er in de klas een zekere cultuur is ontstaan die valt te definiëren als ‘’economisch omgaan met je tijd’’. In casu: zorg dat je met gemiddeld een kwartier per dag uitkomt. Peers zijn geen peers als ze het ook op dit punt niet eens zijn, dus wordt er door hen allen gestreefd naar een nieuw, in tijd bescheiden, gemiddelde. Mijn indruk is dat ze daar goed in slagen. De tweede verklaring is een volstrekt andere. Alles wat school betreft -en misschien ook wel een heleboel andere dingen- bespreekt een achttien jarige in principe niet met zijn ouders, waarom zou je. En als je iets al zou willen bespreken, dan doe je dat met je leeftijdgenoten. Deze verklaring vind ik wel plausibel. Ook ik was een bescheiden, ietwat teruggetrokken puber en kan dus in de spiegel kijken. De derde verklaring is die van mijn zoon. Hij laat weten dat het allemaal niet zo moeilijk is en dus niet nodig om je erg in te spannen. De vraag waar het hierbij om draait: zijn jong volwassenen in staat om een juiste probleemanalyse te maken? Er wordt behoorlijk gecalculeerd bij de totstandkoming van het eindcijfer. Bij een 4,4 voor het schoolexamen, volstaat een 6,6 voor het schriftelijk examen. Immers: elf gedeeld door twee is vijfeneenhalf, een zes dus. Pubers zeggen alles wel te weten, maar onderzoek wijst uit dat dit berust op een onjuiste inschatting die hen echter niet kwalijk is te nemen. Het brein van jongeren is immers pas rond hun vijventwintigste jaar volgroeid.

Ik heb vertrouwen in een goede afloop, tot dusver is het gelijk aan mijn zoons zijde, ik hoop van harte dat het gelijk aan zijn zijde blijft en dat hij volgend jaar invulling kan geven aan zijn ultieme wens: eerst de wereld rond en dan wat anders. Maar spannend blijft het. Ik hoef er nu even niet mee aan te komen, maar over een tijdje gooi ik de wijze woorden van Seneca er in: ‘’Non scolae, sed vitae discimus’’. Ofwel: ‘’Niet voor de school, maar voor het leven leren wij’’.

Reacties